Portobelo, 22 januari 1688

22-01-2014 | 2013 - 2014

Ik voelde de zweetdruppeltjes op mijn voorhoofd. Het was een warme dag. Na dagenlang varen en plannen bedenken tot laat in de nacht bij het kaarslicht, was het nu eindelijk zover. Dit was mijn moment.
Ik staarde over het water. Nog even en dan zou een van mijn bemanningsleden vanuit de mast roepen: “land in zicht!” We zouden bij elkaar komen, het plan nogmaals bespreken tot in de details, en dan… dan zou Portobelo, die mooie haven, rusten in as. Ik draaide mij om en beval, “Roerganger, meer stuurboord!” De man knikte.

Je proefde de spanning die zich verspreidde als een epidemie. Het maakte hem niet veel uit, dan waren ze in ieder geval alert. Zelf was hij rustig, zoals altijd. Geen spanning of een versnelde hartslag – helemaal niks. Hij was het immers gewend. Henry Morgan, de beruchte Engelse kaper die de Panamese kust onveilig maakte. Hij grijnsde – “ik zal mijn reputatie nogmaals waarmaken.” “Land in zicht!” Morgan’s gedachten werden ruw onderbroken. Het was zover.

“Zeilen naar beneden!” “Kanonnen laden!” “Allemaal op positie!” Ik keek toe hoe mijn mannen de bevelen opvolgden en gestroomlijnd in actie kwamen. We naderden de baai in rap tempo; ik kon de contouren van Portobelo al onderscheiden. Ik zag de schrik en de chaos. Ik voelde het opborrelen – de weggestopte angst kroop uit alle gaten en hoeken. Mensen renden rond, kanonnen werden geladen. Maar ik, ik was sneller. “Vuur!” De lont werd aangestoken, in 3…2…1…BAM! Een daverende knal overstemde het gegil van Portobelo’s bevolking. De kanonskogel bewoog zich in volle vaart richting land. Even was het stil. Iedereen leek zijn adem in te houden. En toen…een oorverdovende knal vulde mijn oren, mijn trommelvliezen klapperden. Ik keek naar de opstijgende rode gloed. De verbranding, de pijn. “Vuur!” Ik kende geen genade. Een tweede kanonskogel boorde zich met een enorme kracht in het grootste gebouw aan de waterkant. “Mooi schot, maak je klaar voor nog een salvo!”

Maar eerst kwam de tegenaanval. Vanaf hier zag ik al dat de vijandelijke schoten akelig dichtbij kwamen. Ik voelde mijn hart kloppen. Sjoeffffff – een kogel vloog rakelings langs het schip. Ik voelde opluchting. We waren inmiddels al zo dichtbij dat de eerste medekapers van boord sprongen. “Ten aanval!” We renden naar de muren, bestookt door kanonnenvuur. Een paar van mijn mannen vielen levenloos op de grond. Bloed stroomde uit hun wonden. We kwamen bij de stadsmuur en zetten onze ladders tegen de muur. Er werd kokend water naar beneden gegooid. “Oppassen!”, riep ik mijn mannen toe, maar halverwege mijn waarschuwing schreeuwde ik het uit van de pijn. Het kokende water droop over mijn armen. Ik was ziedend, ik zal ze eens even laten zien wie hier de baas is!

Ik bleef de trap beklimmen, er leek geen einde aan te komen. De eerste groep van mijn manschappen kwam boven en ik hoorde het geluid van wapengekletter. Het duel! Ik trok mijn blanke sabel en liet de laatste trede achter mij. Genadeloos sloeg ik toe. Ik doodde man na man. Overal bloed – het zat op mijn handen, in mijn haar. Maar we waren aan de winnende hand! Mijn mannen rukten steeds verder op en bereikten snel het tolhuis. Met luid gebrul drongen mijn wapenbroeders het gebouw binnen. Ze verwoestten alles wat los en vast zat en maakten koelbloedig een einde aan het leven van de nog resterende vijandelijke manschappen.

We hebben het belangrijkste gebouw! Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat een andere groep van mijn mannen reeds de kerk hadden veroverd. Mooi werk, dacht ik. Ik keek naar buiten uit het raam. Chaos. Een en al chaos. Huilende vrouwen, dode mannen, bloed, ruïnes. Hartverscheurende kreten drongen naar binnen Ze deden mij niets, lieten mij volkomen koud. Ik had gewonnen. Portobelo was van mij!
Ik liep naar buiten. “Geef je over, spaar je leven en vecht niet langer. Portobelo zal snel genoeg helemaal van mij zijn!” “Geef je over!” Het bleef angstvallig stil en er gebeurde niks. Totdat er plotseling beweging ontstond – twee gewonde mannen hielden beverig een witte vlag omhoog! Het was voorbij! Portobelo is in mijn handen!

Ik stootte een honende lach uit. Mijn mannen kwamen naar mij toe en dragen mij op hun schouders. Henry Morgan heeft weer overwonnen.

THE END
Julia